zo. okt 17th, 2021

Helaas heb ik geen opa of oma meer, daarom ben ik voor een grootouderinterview uitgeweken naar mijn schoonfamilie. Samen met mijn vriend Siem Kurvers heb ik zijn lieve oma Wiesje Janssen-Palmen bezocht. Haar bijnaam, bedacht door de kleinkinderen, is oma Schinnen – naar het dorp waar ze opgegroeid is. Dat voelt meteen vertrouwd; zo noemden wij, mijn neefje, nichtjes en ik, mijn oma uit hetzelfde dorp ook altijd.

Opgewekt staat Wiesje in de deuropening wanneer Siem en ik aankomen bij haar appartementje. Ze vindt het leuk dat we langskomen. Terwijl Siem zorgt voor koffie nemen we plaats aan het tafeltje. Wanneer Siem ook aanschuift, opent ze een groen koekblik dat vol zit met zelfgebakken brownies. Ze vertelt dat het blik eigenlijk voor baklava is en dat ze het van Carmen, de zus van Siem, heeft gekregen. Ook heeft ze een reep chocola gehaald voor ons. Ze vindt het een beetje spannend om geïnterviewd te worden. Maar na een eerste vraag over haar jeugd is van die spanning niks meer te merken en begint Wiesje te vertellen.

Jeugdjaren in Schinnen

In het Limburgse Schinnen wordt in oktober 1936 Wiesje geboren in een fijn en warm gezin als jongste van negen kinderen. Ze heeft drie oudere broers en vijf oudere zussen waarvan ze met twee op één kamer slaapt. Haar vader werkt in de mijn, haar moeder heeft het thuis druk met de kinderen. Er is weinig tot geen tijd voor klusjes. Wiesje kan zich nog herinneren dat behangen of verven ’s nachts gebeurde omdat de kinderen overdag door het huis rondliepen.

Wanneer ze vier jaar is, begint de Tweede Wereldoorlog. Als het luchtalarm afgaat, vlucht iedereen naar de kelder. Alleen heeft Wiesje thuis geen grote kelder, dus schuilen ze bij de buren, ook een gezin met negen kinderen. Veel mannen uit het dorp blijven dan buiten want ze willen alles zien en meemaken – zo ook haar vader. Op het eind van de oorlog zitten ze ook in de schuilkelder en komt haar vader binnen om te vertellen dat ze bevrijd zijn door de Amerikanen. Voor de rest weet ze er niet zoveel meer van.

Wiesje gaat naar de meisjesschool. Ze vertelt dat de goede leerlingen voor in de klas zaten, de minder goede in het midden en de slechte leerlingen achteraan. Zelf is ze geen uitblinker in leren en bevindt ze zich altijd in het midden van de klas. Een van haar zussen is naaister en Wiesje tekent graag kleding na uit haar modebladen. Haar zus vindt dat ze modeontwerpster moet worden, maar dat is er nooit van gekomen. Een jaar gaat Wiesje naar de huishoudschool, maar dat vindt ze helemaal niet leuk. Ook gaat ze een jaartje naar de naaischool. Op haar zestiende of zeventiende begint ze met werken bij een kapper in Schinnen. Daar doet ze huishoudelijk werk en werkt ze in de winkel die erbij hoort. Dat vindt ze leuk om te doen.

Ontmoeting in de danszaal

Siem benoemt voor het bezoekje al dat het zo schattig is als zijn oma vertelt hoe ze zijn opa heeft ontmoet. Wanneer ik haar vraag waar ze haar man heeft leren kennen, moet ze dan ook meteen lachen. “Doa wit Siem alles van, hé Siem. Dat hub ich waal us vaker vertild”, zegt ze in het dialect. (Daar weet Siem alles van, toch Siem. Dat heb ik weleens vaker verteld.) Ze wil het best nog eens vertellen.

In de danszaal ontmoet ze Gerrit Janssen met carnaval. Hij is verkleed en draagt een hoed waar het elastiekje van gesprongen is. Bij zijn vriendengroep zit een jongen die Wiesje al kent van de Schinnense toneelvereniging en hij verwijst Gerrit naar Wiesje die het elastiekje kan maken. Later dansen ze een paar keer samen. Op een gegeven moment vraagt Gerrit of hij haar naar huis mag brengen. Zo is hij blijven plakken, zoals Wiesje het zelf zegt.

Op 21-jarige leeftijd trouwt ze wettelijk met Gerrit. Wanneer je destijds alleen wettelijk getrouwd was, mocht je nog niet gaan samenwonen. Daar moest je ook kerkelijk voor getrouwd zijn. Om überhaupt een woning te krijgen, moest je wel eerst wettelijk getrouwd zijn. Na het trouwen gaan ze dus allebei gewoon naar hun ouderlijk huis. Twee jaar later trouwen ze ook kerkelijk en gaan ze samenwonen in Amstenrade. Wiesje vindt het erg fijn wonen in het dorp.

Het gezin van Wiesje

Wanneer Wiesje 25 jaar is, wordt zoon Ger geboren. Asta en Milda, een meisjestweeling, komen twee jaar later ter wereld. Wanneer Wiesjes vader overlijdt, nemen Gerrit en Wiesje haar moeder in huis. Hiervoor verhuizen ze naar een groter huis in Schinnen. Haar moeder let op de kinderen en vangt ze op als ze uit school komen. Wiesje begint met werken in de keuken bij zorgcentrum Elvira. Eigenlijk is er geen een dag dat ze niet graag naar haar werk gaat.

Op zeventienjarige leeftijd verlaat Ger het ouderlijk huis. Hij gaat studeren aan de universiteit en op kamers wonen in Nijmegen. Wiesje maakt zich daar weleens zorgen om. Ze is het helemaal niet gewend dat een Limburger zo ver gaat wonen voor een studie. Later begint ook Asta met een opleiding. Ze gaat verpleegkunde studeren en verhuist naar een flat in Brunssum. Milda blijft het langst thuis wonen. Ze zegt altijd tegen Wiesje: “Ik blijf bij jou! Ik ga nooit weg.”

Gerrit wordt ziek, hij is hartpatiënt. Je ziet niks aan hem en hij vertelt er ook niet graag over. Na drie jaar doorsukkelen, wordt hij arbeidsongeschikt verklaard. Hij ondergaat verschillende operaties in Amerika, Duitsland en Nederland. In 2004 overlijdt hij op 75-jarige leeftijd. Wiesje verhuist naar een gloednieuw appartementje in Oirsbeek. Eigenlijk zou ze daar met Gerrit gaan wonen, maar tot haar grote spijt verhuist ze alleen. Wel vindt ze het hartstikke fijn wonen in haar nieuwe onderkomen en woont er inmiddels zestien jaar. Ook zit ze in de bewonerscommissie en organiseert ze etentjes en koffie-uurtjes.

Vandaag de dag

Wiesje is nog als enige over van haar hele familie, op een schoonzusje na. In één jaar tijd zijn wel vier van haar broers en zussen gestorven. Dat vindt ze echt verschrikkelijk. Ze haalt vreugde uit haar kinderen en kleinkinderen die langskomen. Inmiddels heeft ze negen kleinkinderen en een paar bonuskindjes, zoals ze haar stief- en schoonkleinkinderen noemt. Ook leest ze graag boeken en deed ze tot voor kort veel handwerk. Ze vermaakt zich ook met spelletjes op haar Ipad en het lezen van de krant.

Wiesje vertelt dat de televisie haar niet zoveel interesseert, waarop Siem haar lachend corrigeert. Volgens hem houdt ze wel van Netflix. We moeten lachen en Wiesje bevestigt dat ze inderdaad tegenwoordig naar Netflix kijkt. Het interview loopt op zijn einde nu we in vogelvlucht door het leven van Wiesje zijn gegaan. Nadat ik de opname stopzet, vertelt ze na een korte pauze nog een aantal verhalen die haar invallen. Wanneer de koffie op is, vertrekken Siem en ik. In de deuropening blijft Wiesje zwaaien en wachten tot we de hoek om zijn. “Dat doet ze altijd, lief hé”, zegt Siem.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *